Korte achtergrond van de roman

Korte inhoud van de roman

De Theaterkoning vertelt het indrukwekkende levensverhaal van Abraham Tuschinski, dé man achter het imposante Tuschinski Theater in Amsterdam, waar al bijna honderd jaar premières van films plaatsvinden. Vanuit Polen, als emigrant op weg naar de Verenigde Staten, is Abraham Tuschinski in Rotterdam blijven steken, zijn werkterrein uitbreidend naar de hoofdstad. Hij was ambitieus, fantasierijk en had een missie; hij wilde van een avondje uit iets bijzonders maken en creëerde prachtige theaters met een rijke aankleding en toch betaalbaar voor bijna iedereen.

Met zijn creativiteit en doorzettingsvermogen overwon hij vele tegenslagen en lukte het hem een theaterimperium op te bouwen dat hij bleef uitbreiden, totdat de Duitse bezetter abrupt een einde aan zijn dadendrang maakte.

Abraham Tuschinski

De roman over het leven van Tuschinski is op historische feiten gebaseerd en wordt voorgesteld als film, omdat dat de grote passie van deze ondernemer was. Als achttienjarige kleermaker kwam hij naar Nederland waar hij al snel nieuwe uitdagingen aanging: landverhuizers rondleiden en een landverhuizershotel (hotel Polski) beginnen.

Op het moment dat Tuschinski een jasje voor een piccolo moest naaien en hij zich een voorstelling maakte van een filmzaal die een piccolo waardig was, kreeg hij het idee om een theater te beginnen. De jonge ondernemer was eigenzinnig en had vastomlijnde ideeën: zo lag hij met zijn architect in de clinch want hij wilde geen pilaren in zijn zaal. In tegenstelling tot de heersende mening dat het niet uitmaakte hoe een zaal eruit zag, vond Tuschinski dat juist wél belangrijk en zorgde voor een luxe inrichting met comfortabele stoelen. Door allerlei trucjes lokte hij bezoekers naar zijn Thalia; hij zette geen chagrijnige heren achter de kassa maar frisse, knappe meisjes, deelde folders en raambiljetten in winkels uit en gaf zijn publiek een gratis kop koffie of beker limonade. Het lukte hem om bezoekers te trekken en achteraf kreeg hij nog gelijk ook, want door dat ‘snerttheater’ van Tuschinski moesten andere bioscoopdirecteuren hun interieur eveneens gaan verfraaien.

Toen Thalia moest plaatsmaken voor een nieuw stadhuis, liet hij zich niet lang uit het veld slaan. Hij vond een locatie waarvan hij een nog grotere en mooiere bioscoop kon maken. Als charmante man lukte het hem om zijn geldschieters van het bestaansrecht van zijn onderneming te overtuigen: ‘De mensen verdringen zich niet alleen voor een plaatsje in mijn theater, ze vermoorden elkaar ervoor.’

Het tweede theater werd een groot succes, maar op zijn lauweren rusten was er niet bij. Tuschinski was altijd op zoek naar nieuwe ondernemingen en grotere projecten. De kroon op zijn werk was het Tuschinski Theater in Amsterdam. Dit gebouw overtrof elk theater op het gebied van schoonheid en techniek. Kunstenaars ontwierpen handgeknoopte tapijten en lampen, zorgden voor decoratieve muur- en plafondschilderingen, houten betimmeringen en kunstsmeedwerk. Dol op noviteiten was de creatieve ondernemer ook: het Tuschinski Theater had als eerste in Europa een Wurlitzer-orgel ‘een wonderorgel’ (het zorgde voor geluidseffecten bij de stomme film), bovendien had het gebouw een unieke verwarming.

Lege theaterzalen in warme zomers kreeg Tuschinski weer vol met zogenaamde Passe Partouts: voordelige kaartjes die men van te voren kon kopen. Zijn grote dadendrang en enorme vindingrijkheid zorgden ervoor dat hij in het Dagblad van de Arbeiderspartij de man werd genoemd die alles voor elkaar ‘tuschinskist’.

In de jaren `30 kwamen er grote tegenslagen op zijn pad, zowel in zijn ondernemersleven als op het persoonlijke vlak, maar hij vond toch weer kracht om door te gaan. De Tweede Wereldoorlog maakte echter een einde aan zijn originaliteit en onuitputtelijke scheppingsdrang die ons zoveel mooie theaters in Rotterdam had gebracht.

Terug naar: De Theaterkoning