Proloog

Proloog van de roman

30 september 1944

....

Omdat er aanslagen op de spoorlijn nabij Putten hadden plaatsgevonden, eiste de Duitse bezetter dat mannen uit Putten wachtdienst zouden lopen. De politie kreeg opdracht om hieraan mee te werken en mensen die niet voor de arbeidsinzet in aanmerking kwamen te laten patrouilleren. Zou de politie hieraan niet meewerken, dan zouden de Duitsers zelf mensen in het dorp moeten werven, met een verhoogd risico voor de onderduikers.

Gijs was blij dat hij niet al te vaak moest wachtlopen want hij vond het enorm vervelend. De tijd kroop als je langs die spoorlijn liep. Bovendien werd hij kruusdol van zijn voet! Helemaal stapelgek werd hij ervan. Maar wacht eens even, hij kreeg een idee. Als hij nou eens gewoon op die boomstronk een half uurtje bleef zitten. Die moffen konden hem nog meer vertellen! Hij zou Gert vanzelf wel weer zien verschijnen.

Hij deed zijn klomp weer uit en zette zijn voet op de klomp. Het was wel saai zo, en een half uur duurde dan erg lang. Als je liep zag je toch dingen en hoorde je geluiden, waardoor je afgeleid werd zodat de tijd sneller leek te gaan. Hij probeerde de bosuil nog eens te ontdekken en luisterde heel scherp, maar hoorde niets. Bij een tweede luisterpoging hoorde hij schietgeluiden in de verte. Daarna was het weer stil. Dus ook tijdens de oorlog kon het stil zijn. Die oorlog zou trouwens wel niet lang meer duren, Zuid-Nederland waaronder Maastricht was immers al bevrijd. Nog even en de geallieerden zouden hun dorp ook binnentrekken. Tot zolang was het afzien. Hoewel hij tot op heden niet zo veel te klagen had, er was genoeg eten, ook al was er een tekort aan bepaalde producten, en er was werk. Eigenlijk ging het leven voor hem gewoon door.

De paar mensen waarvan hij vermoedde dat ze met het verzet van doen hadden, waren geen inwoners van hun dorp. Adrie was er één van. Zijn jongere broer Willem had hem ijskoud aangesproken en gevraagd of hij iets voor het verzet kon betekenen. Adrie, die mogelijkerwijs werd afgeschrikt door de jeugdige overmoed, had droog geantwoord: “Blijf jij nog maar even gewoon knikkeren, jongen.” En na hem een vaderlijke glimlach te hebben geschonken liep hij door, Willem gekrenkt achterlatend. Maar inmiddels was Willem achttien geworden en Gijs was bang dat hij zijn weg naar het verzet toch zou weten te vinden. Hij moest zich ook niet gek laten maken, want hoe lang zou de oorlog nog duren? Hooguit een paar weken, en zeker geen maanden meer.

Gijs stond op. Hij moest maar alvast naar de spoorwegovergang gaan, anders zou Gert weer klagen dat hij zo kwam andrieten. Hij verbeet zijn pijn en probeerde met een normale pas de spoorwegovergang te bereiken. Vlakbij de overgang, uit de richting van de Stationsstraat, dacht hij iets te horen. Hij spitste zijn oren. Hij meende het geluid van verschillende houten banden op de weg te herkennen. Het kwam dichterbij. Het waren vast fietsers. Wat zouden die zo laat nog doen? Vermoedelijk kwamen ze uit Amersfoort of zelfs uit Amsterdam en waren ze op voedseljacht geweest, en vervolgens verdwaald. Hij zou het ze wel vragen want hij had wel weer zin in een praatje en wellicht kon hij ze van dienst zijn.

“Goedenavond,” riep hij luid. “Hoe laat is het?” De eerste fietser reed zonder iets te zeggen de spoorwegovergang over. Een tweede en derde fietser volgden hem, beiden mannen passeerden Gijs eveneens zonder dat er ook maar een groet af kon. Gijs bleef verbluft achter want hij had verwacht dat ze even zouden afstappen voor een gesprek. Korte tijd later kwam er nog een vierde fietser voorbij. Gijs greep opnieuw zijn kans. “Goedenavond. Weet u hoe laat het is?”

Gijs hoorde deze fietser hijgen, hij of zij, dat kon hij zo snel niet zien, had duidelijk moeite om de rest bij te benen. “Negen,” klonk een vermoeide mannenstem, en weg was hij.

Nou mensen, bedankt voor de aangename verpozing, dacht Gijs spottend.

Uren later, toen ze rond middernacht eindelijk waren afgelost, liepen ze samen de lange Stationsstraat door in de richting van het dorp. Aan het begin van de Dorpsstraat nam Gert afscheid. Gijs liep met zijn klompen in de hand alleen verder. Hij nam liever het risico om ergens in te trappen dan die aanhoudende, irritante pijn in zijn voet te voelen. Gijs was blij dat hij eindelijk thuis was en naar bed kon gaan. Hij liep naar binnen en zette zijn klompen in de schuur en liep de keuken in.

”Nog niet naar bed, moe?” vroeg Gijs geheel overbodig.

“Neen, ik wilde op je wachten. Ik heb nog wat soep voor je.” Een zwak gaslicht bescheen haar vermoeide gezicht. Ze slofte naar het fornuis en schonk een kom soep in.

“Had je toch niet hoeven doen. Gekke moe.” Hij gaf haar vluchtig een zoen op haar hoofd, dat ze een beetje afweerde maar ondertussen toch ook wel leuk vond. Ze was nu eenmaal niet het type van knuffelen en kroelen, van huis uit was ze er verlegen mee, maar Gijs had het idee dat ze toch wel van die aandacht genoot.

“Lekkere soep.” Er zat weliswaar geen vlees in maar ze was warm en hartig.

“Was geen moeite, jong. Heb je nog wat gezien?”

“Nee, niets bijzonders. Ik had beter in mijn bed kunnen liggen.”

“Da’s precies wat ik nu doen ga.”

Toen moe naar bed was bedacht Gijs dat het niet geheel waar was. Hij had wel wat gezien; die vier die voorbij kwamen fietsen. Maar omdat ze te beroerd waren om hun mond open te doen, tenminste op één na en wat had die nou eigenlijk gezegd, zou hij die fietsers bijna vergeten.

Buiten het tikken van de klok was het volslagen stil. Het was de spreekwoordelijke stilte voor de storm. Een storm die de volgende dag vol orkaankracht zou losbarsten, en wiens verraderlijke slurf bijna alle mannen van het dorp zou opzuigen en honderden kilometers verder weer ruw zou uitspuwen. En met haar laatste restje boosaardige kracht, zou de slurf een vuur aanwakkeren, zodat een deel van het dorp in vlammen op zou gaan, en uiteindelijk met een laagje as bedekt zou worden.

Maar dat was over een paar uur en daarvan was Gijs zich in het geheel niet bewust. Voor hem was het slechts een saaie en vooral ook overbodige wacht geweest.

Terug naar: Gloepend Benauwd